Plaatsnamen: een kijkje in ons verleden

Hoewel we er dagelijks langsrijden, wanneer we van thuis naar werk gaan of wanneer we vrienden en familie gaan opzoeken, staan maar weinigen stil bij dat kleine blauw-witte bordje langs de weg. Dat terwijl zo’n bescheiden plaatsnaambordje ons zoveel verteld over de lokale geschiedenis van ons dorp of stad. Plaatsnamen zijn namelijk taalkundige tijdcapsules, waarin informatie verstopt zit over de oorsprong van een woonplaats. Daarom gaan we vandaag een kijkje nemen in het verleden van de meest voorkomende plaatsnamen in Nederland en Vlaanderen.

Valse vrienden
Ons land alleen al telt meer dan 6.500 verschillende dorpen, steden en gehuchten, dus een complete lijst van alle plaatsnamen maken lijkt onbegonnen werk te zijn. Gerald van Berkel en Kees Samplonius, twee taalkundigen die afgestudeerd zijn in Oudgermaans aan de Rijksuniversiteit Groningen, hebben deze monumentale taak echter op zich genomen en hun boek Nederlandse plaatsnamen: Herkomst en historie wordt nu beschouwd als hét standaardwerk binnen de Nederlandse toponymie.1

Oude landkaarten, zoals deze van de provincie Groningen ten tijden van de Republiek (ca. 1753), geven ons informatie over de oudere vormen van plaatsnamen. Zo is het dorp Farmsum op deze kaart terug te vinden onder de naam ‘Farmsumer’ (bron: Plaatsengids)

In hun inleiding vertellen de doctorandi over de problemen, die zij gedurende hun onderzoek hebben moeten tackelen. Hoewel plaatsnamen ‘een spiegel van het verleden’ zijn, moeten we ons ervan bewust zijn hoe deze spiegel in de loop der eeuwen vervormd is geraakt. Dit levert vaak ‘valse vrienden’ op, die ons op een verkeerd spoor kunnen zetten. Zo heeft Ridderkerk bijvoorbeeld niets te maken met ridders, is Dieren natuurlijk niet vernoemd naar dieren en is het Brabantse dorp Zeeland niet terug te linken naar de gelijknamige provincie.

Van Berkel en Samplonius leggen uit dat zij voor hun onderzoek altijd probeerden de oudste vermelding (attestaties) van een plaatsnaam te herleiden. Zo is bijvoorbeeld het Groningse dorpje Farmsum in de archieven terug te vinden onder de namen Farmsumer (1753), Fermssem (1435), Fermeshem (1228) en Fretmareshem (ca. 1000). De oudste vorm van deze plaatsnaam verraadt een Germaanse herkomst, namelijk ‘heem’ dat ‘woonplaats’ of ‘(t)huis’ betekend (vergelijk met het Engelse ‘home‘ en het Duitse ‘Heim‘) en Fretmar, een Germaanse persoonsnaam, dat zich vertaald naar ‘beroemd om de vrede’.2

Maastricht is vernoemd naar de Romeinse brug over de Maas (bron: Centre Céramique)

Romeinen en Germanen
Door op zoek te gaan naar deze attestaties komen we langzaam maar zeker erachter dat sommige plaatsnamen veel ouder zijn dan vaak werd gedacht. Bepaalde woorddelen (zoals -heem in het vorige voorbeeld) laten zien dat een dorp of stad haar wortels kan herleiden naar de Oudheid. Zo wijst de Vlaamse taalkundige Frans Claes ons op de suffixen -iom en -iacas, als Gallo-Romaanse tegenhangers van het Germaanse -heem. Net zoals -heem op den duur verbasterde naar -hem, -kum of -sum (bijv. Arnhem, Dokkum, Brunssum), veranderden deze achtervoegsels naar -en of -aken (bijv. Leuven, Lanaken).3

Naast dit woord voor ‘thuis’, kunnen we ook de Latijnse benamingen voor brug (‘trajectum’), fort (‘castellum’), berg (‘mont’), markt (‘magus’) en wijk (‘vicus’) terugvinden in enkele plaatsnamen. Kijk hiervoor bijvoorbeeld naar Kessel (castellum), Nijmegen (-magus), Utrecht of Maastricht (-trajectum).4. Ook plaatsnamen die eindigen op een -d of -t (bijv. Beesd, Hemert) zijn volgens Van Berkel van oudere origine, maar hierbij is het vaak lastiger te achterhalen, waar de naam nu precies vandaan komt.

Van dam tot dijk
Ondanks deze rijke schat aan Romeinse taalfossielen, mogen we niet vergeten dat de meeste plaatsnamen stammen uit een periode van na het jaar 1000. Gedurende de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd waren plaatsnamen vaak geografische aanduidingen. Achtervoegsels, zoals -dam, -dijk, -veld of -kerk vertelden iets over de ligging van een dorp.5 Plaatsnamen waren dus vooral op pragmatische wijze ontstaan. Het onderstaande schema geeft een klein overzicht van veelvoorkomende oud-Nederlandse suffixen en hun betekenis.

Suffix Betekenis Voorbeelden
-broek moerasgebied Hoensbroek, Genbroek
-burg (of -borg) burcht, versterkte plaats Middelburg, Tilburg, Culemborg
-drecht veer of vaarwater Dordrecht, Sliedrecht, Papendrecht
-foort (of -voort) voorden, doorwaadbare plaats Amersfoort, Montfort, Westervoort
-geest (of -gaast) zandrug in polder of moeras Oegstgeest, Tjerkgaast
-hoek een scherpe bocht in de dijk Hoek van Holland, Luntershoek
-hoven huizen, boerderijen Eindhoven, Boshoven, Bilthoven
-lo (of -le) bos Almelo, Hengelo, Venlo
-mond (of -muiden) monding van een rivier Roermond, Helmond, IJmuiden
-nisse (of -nesse) uit het water uitstekend land Spijkenisse, Ossenisse
-rade (of -ray) gerooid bos Kerkrade, Venray, Herzogenrath
-til brug, pontje (via het Fries) Doodstil
-weert (of -warden) ingepolderd gebied Leeuwarden, Weert, Woerden
-wijk dorp (via het Latijn: ‘vicus’) Waalwijk, Rijswijk
-zijl spuisluis (via het Fries: ‘syl’) Delfzijl, Nijezijl

Deze suffixen werden vaak gecombineerd met een eigen naam (bijv. Hoensbroek was ‘het moeras van Hoen’) of een verwijzing naar een ander geografisch oriëntatiepunt, zoals een nabij gelegen bos of rivier (bijv. Amsterdam was ‘de dam aan de Amstel’). Tevens kwam een eigendomsaanduiding ook regelmatig voor, als een plaats in bezit was van de Kerk of een leenheer (bijv. ‘s-Hertogenbosch was ‘het bos van de hertog’).

Soms verraden dorpsnamen op deze wijze een eeuwenoud eigendomsdispuut. Treffende voorbeelden hiervan zijn het Zuid-Limburgse dorp Kerkrade en haar Duitse buurman Herzogenrath. Hier was sprake van een ontginningsgebied dat vanaf de 12e eeuw deels leen verschuldigd was aan de hertog van Brabant en deels aan abdij van Rolduc. De Brabantse grensdorpen Baarle-Nassau en Baarle-Hertog hebben een vergelijkbare ontstaansgeschiedenis. Zij zijn verdeeld in 1198 tussen de hertog van Brabant en de abdij van Thorn. In nasleep van de Tachtigjarige Oorlog werd Baarle-Hertog in 1648 toegekend aan de Habsburgse Nederlanden, terwijl Baarle-Nassau onderdeel werd van de Republiek (Staats-Brabant).

De grens tussen Baarle-Nassau (NL) en Baarle-Hertog (BE). Baarle werd in de 12e eeuw al opgesplitst tussen twee heren en is altijd verdeeld gebleven. (bron: OnlMaps)

Door de plaatsnamen op deze wijze te ontleden, kunnen we dus een kijkje nemen in de wereld van de eerste bewoners van een dorp of stad. We zien waarom deze mensen zich hier hebben gevestigd – ware het vanwege de bescherming van een Romeins fort of de aanwezigheid van een doorwaadbare plek in de rivier – en soms kunnen we nog een glimp opvangen van een roerig verleden. Plaatsnamen geven ons derhalve een schat aan informatie, die anders al lang verloren was gegaan.

Wist u dat er ook verschillende Nederlandse plaatsen vernoemd zijn naar landen? Zoals de dorpjes America en Siberië in de Limburgse Peel en Turkeye in Zeeuws-Vlaanderen. Lees hier meer over in het artikel ‘Turkije in de polder‘.

  1. G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen: Herkomst en historie (Utrecht 2006)
  2. Ibidem.
  3. F. Claes, ‘Inleiding tot de Oostbrabantse Toponymie’, in Naamkunde, jaargang 19 (1987)
  4. Zie ook: F. van den Hoven (red.) e.a., project Plaatsengids.nl
  5. Ibidem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *