Nederlands en Belgisch Limburg samen: Sprookje of historische gerechtigheid?

Deze week hield de lokale radio-omroep L1 een opiniepeiling onder haar luisteraars met de vraag of Nederlands en Belgisch Limburg samen zouden moeten gaan tot één onafhankelijk land.1 Volgens het radiostation zou een vergelijkbaar onderzoek dat gehouden werd vlak over de grens lovend positief zijn over dit vooruitzicht en was het merendeel van Nederlands Limburg er ook wel voor te porren. Hoewel de meningen – als je er objectief naar kijkt – sterk verdeeld lijken te zijn (in België was slechts 40% van de ondervraagden voor, in Nederland was dat een krappe 50%), rijst nu wel de vraag in hoeverre dit sentiment voor een Groot-Limburg historische wortels heeft. Wij zochten het voor je uit.

Gevoelskwestie?
Regionalisme is niets nieuws. De Catalaanse onafhankelijkheidskwestie is momenteel natuurlijk hot topic en de roep voor een onafhankelijk Vlaanderen suddert nu ook al jaren. Merendeel van de tijd komt een dergelijke wens voor separatisme voort uit een gevoel van ongenoegen, waarin de bewoners van de periferie zich achtergesteld voelen ten opzichten van de bewoners van het politiek-economisch centrum van het land. In Limburg is dat niet anders.

Europa-breed zijn er zo’n 50 tot 80 regio’s die strijden voor een zekere mate van onafhankelijkheid. Zij verenigen zich in de European Free Alliance (EFA), een politieke partij in het Europese parlement, geleid door de Vlaming Günther Dauwen. In een interview met de NOS legt hij uit dat de verschillende separatistische bewegingen in drie categorieën onder te verdelen zijn: focus op rechten voor eigen taal en cultuur, focus op vergoten van autonomie of focus op totale onafhankelijkheid.

Europese regio’s met actieve separatistische bewegingen (bron: NOS 2017)

Het recht op zelfbeschikking is wat ons allemaal bindt,” zegt Dauwen, “Veel van onze partijen zijn aanvankelijk gestart als taalkundige bewegingen. Sommige evalueren door naar de wens voor een eigen natiestaat.”2 Binnen Nederland is alleen de Fryske Nasjonale Partij bij de EFA aangesloten.

Versnipperd Maasdal (14e eeuw)
Limburg kent geen georganiseerde beweging voor separatisme en kijkend naar de historie van de provincie is dat ook niet heel erg vreemd. Sinds de Bourgondische tijd (late Middeleeuwen) waren de heerlijkheden langs de Maas al verdeeld onder verschillende feodale heersers, die in grote mate autonomie genoten. De grootste spelers in dit gebied waren hertogdom Gelre, hertogdom Brabant, die de drie landen van Overmaas (Valkenburg, Dalhem en Hertogenrade) en het hertogdom Limburg bezat, prinsbisdom Luik en graafschap Loon, die samen een persoonlijke unie vormden, hertogdom Gulik en het Heilige Roomse Rijk.3 Deze gewesten waren onderverdeeld in een groot aantal heerlijkheden – een soort ministaatjes van niet meer dan een handvol dorpen of gehuchten (zie kaart45) – die ieder hun eigen ‘binnenlandse’ beleid bepaalden.

De ‘buitenlandse’ politiek verliep via de feodale hiërarchie. Zo was bijvoorbeeld de heer van Geleen, alleen verantwoording schuldig aan de heer van Valkenburg, die weer onderdanig was aan de hertog van Brabant, die weer een leenman was van de hertog van Bourgondië. De lokale boeren en burgers hielden zich hier echter totaal niet mee bezig. Voor hen was het zeer ongebruikelijk om verder dan een dag reizen buiten de eigen dorpsgrenzen te komen. Een reis van Hasselt naar Aken of van Roermond naar Luik voelden dan ook waarschijnlijk als een ware wereldreis.

De heerlijkheden van Limburg waren anno 1350 verdeeld over het opperkwartier van hertogdom Gelre (geel), hertogdom Gulik (groen), de landen van Overmaas en het hertogdom Limburg die allen vazallen waren van hertogdom Brabant (paars), graafschap Loon en prinsbidsom Luik die samen een persoonlijke unie vormden (blauw) en een aantal losse vrijheerlijkheden die alleen verantwoording schuldig waren aan de keizer van het Heilig Roomse Rijk (rood). Zie ook dat de stad Maastricht een gebied met twee heren was: Luik en Brabant (klik om te vergroten) (kaart door J. Huntjens)

Dit bestuurlijk lappendeken zorgden voor een grote diversiteit in taal en cultuur. Zo werd in de gebieden van Gulik meer een Duits dialect (Ripuarisch) gesproken, in Luik Waals-Frans, in Loon Vlaams-Brabants en in alle tussenliggende gebieden diverse overgangsdialecten. Het Maasdal vormden in die zin een taalcontinuïteit, waarin er grote mate van onderlinge mutual intelligibility voorkwam6.

Botsende mogendheden (17e-18e eeuw)
In de vroegmoderne tijd vinden er veel ontwikkelingen plaatst die deze feodale machtsstructuur doorbreken. Een belangrijke katalysator daarbij is de Nederlandse Opstand (1568-1648), waarbij de verschillende gewesten en heerlijkheden gedwongen werden om partij te kiezen vóór of tegen hun voormalig leenheer. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was het Maasdal een ware frontlinie, waar de grenzen regelmatig opschoven tussen Habsburgs Spanje en de Republiek en bij het tekenen van de Vrede van Münster (1648) was er nog steeds erg veel onduidelijkheid. Pas bij het Partagetraktaat van 1661 werden de machtsverhoudingen duidelijk vastgelegd.7

Zo werd het huidige Nederlandse Limburg in tweeën gesplitst tussen de Republiek en de Habsburgers via lijnen van strategisch belang. Dit zorgden voor een waar lappendeken, waarop beide staten moeilijk grip konden houden (zie kaart). Zelfs al stonden de Republikeinse generaliteitslanden en de Habsburgse Nederlanden onder een direct bestuur, bleef de politieke en religieuze onrust aanhouden. De Gulikse gebieden bleven hierin neutraal. Deze explosieve situatie hield maar een kleine 40 jaar stand, want na de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) werden de Spaanse gebieden toegewezen aan de Oostenrijkse tak van de familie Habsburg, die tevens de keizer van het Heilig Roomse Rijk leverde. Hoewel de Republiek en Oostenrijk bondgenoten waren, werden de katholieke Zuidelijke Nederlanden nooit met het protestante noorden verzoend.

Het Maasdal was anno 1750 verdeeld onder de generaliteitslanden van de Republiek (geel), de Habsburgse monarchie (paars), hertogdom Gulik (groen), prinsbisdom Luik (blauw) en een aantal vrijheerlijkheden van het Heilig Roomse Rijk (rood) (klik om te vergroten) (kaart door J. Huntjens)

Aan de andere kant van de Maas was de situatie echter lange tijd veel stabieler en gelukkig ook iets minder complex. Het grondgebied van het huidige Belgische Limburg overlapt met het voormalige territorium van Graafschap Loon. Dit gewest maakte sinds 1366 al onderdeel uit van prinsbisdom Luik, dat tot aan de Franse Tijd (1795-18143) een volledig eigen politieke entiteit vormden. Loon en Luik hebben derhalve nooit bij de Republiek of de Habsburgse Nederlanden gehoord. Wel waren er binnen hun landsgrenzen een klein aantal eigendomsdisputen met de Republiek en het Heilig Roomse Rijk, maar dit bleef beperkt tot een handvol dorpen en abdijen.

Franse bureaucratie (begin 19e eeuw)
Tot aan het begin van de Franse Tijd waren de gebieden, die zich nu “Limburg” noemen dus in feiten nog nooit één politieke entiteit geweest. De Republiek, Habsburg en Luik verdeelden deze taart onder hun drieën. Maar met de komst van Napoleon kwam daar verandering in. Toen Nederland en België in 1810 een integraal onderdeel werden van het Franse Keizerrijk verdeelden de overheersers het gebied in verschillende departementen en arrondissementen (zie kaart 8). Deze grenzen werden getrokken op basis van efficiëntie, zonder rekening te houden met taal, cultuur, religie of historie.

Departement Nedermaas was onderverdeeld in de arrondissementen van Hasselt (blauw), Roermond (geel) en Maastricht (paars). Alles ten zuiden van onze moderne grens behoorde tot het departement Luik (lichtblauw) en alles ten oosten viel onder het Heilige Roomse Rijk (groen en rood), o.l.v. Pruissen. (klik om te vergroten) (kaart door J. Huntjens)

Toen vier jaar later de Fransen waren verdreven en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd opgericht, werden de provinciegrenzen van deze nieuwe natiestaat getrokken via de administratieve lijnen van de Franse departementen. Gebieden die voorheen nooit samen hebben gehoord, werden nu tot één nieuwe provincie gevormd met Maastricht als hoofdstad. Deze nieuwe provincie werd op last van koning Willem I vernoemd naar het oude hertogdom Limburg. Historisch gezien kennen deze gebieden echter géén overlap en maakte het voormalige gewest vanaf dat moment onderdeel uit van de nieuwe provincie Luik.

Het is dan ook niet zeer verwonderlijk dat tijdens de Belgische Opstand (1830-1831) de provincie besloot zich langs de Maas in tweeën te splitsten in een oostelijk deel, dat historisch gezien bijna 200 jaar al onderdeel uitmaakte van de Nederlandse Republiek, en een westelijk deel, dat altijd grote mate van zelfstandigheid heeft gekend (in de vorm van graafschap Loon). Het waren twee gebieden die politiek en cultureel gezien te veel van elkaar verschilden.

Om tegenwoordig dan te gaan denken over een ‘verenigd Groot-Limburg’ lijkt vanuit dat oogpunt natuurlijk ridicuul. Naast deze historische feiten komen daar natuurlijk allerlei politieke en economische argumenten bij kijken, maar gezien de complexiteit van deze kwestie is dat een verhaal voor een andere keer.

  1. Red., ‘Ons gesprek van de dag: Wat vind jij, beide Limburgen samen één land?’, L1 (31 oktober 2017)
  2. Red., ‘Zo zou Europa eruitzien als alle ‘onafhankelijken’ hun zin krijgen’, NOS (1 oktober 2017)
  3. J. Venner, De Geschiedenis van Limburg (Maastricht 2000), deel 1, p. 102-109
  4. H. Erren, Landen van Overmaas (10 juli 2016)
  5. I. Tirion, Nieuwe en nauwkeurige kaart van de drie landen van Overmaaze: Valkenburg, Daalhem en Hertogenrade (Amsterdam ca. 1760)
  6. Theorie van Leonard Bloomfield (1926)
  7. H. Erren, De verdeling van Overmaas tussen Spanje en de Nederlandse Republiek in 1661 (15 juli 2016)
  8. Dr. E.M.Th.W. Nuyens, ‘De staatkundige geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839’, in: Limburgs geschied- en oudheidkundig genootschap (Maastricht 1956), uitgave nr. 2.

2 reacties

  1. Wanneer ik de kaartjes zie vraag ik me of er ook nog iets van Limburg boven Sittard bestond?

    • Hallo Geert,

      Het gebied van Noord-Limburg behoorde in de Bourgondische tijd grotendeels tot het Opperkwartier van hertogdom Gelre (met Roermond als hoofdstad) en ging na de Opstand over in de Republiek. Maar ook hier was sprake van versnippering waarbij sommige heerlijkheden nu juist weer bij het Heilig Roomse Rijk hoorde.

      Goed voorbeeld hiervan is het witte stadje Thorn dat tot aan de Franse Tijd een ‘abdijvorstendom’ was. Hierbij regeerde het hoofd van de abdij over zijn eigen ministaatje en hoefde hij alleen verantwoording af te leggen tegenover de keizer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *